In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een geldsom van €219.624,41 plus wettelijke rente. De rechtbank heeft eerder bij tussenvonnis bindende bewijsopdrachten gegeven, maar is in een later tussenvonnis teruggekomen op de uitleg daarvan, wat door gedaagden werd betwist. De rechtbank stelt dat een bewijsopdracht geen bindende eindbeslissing is tenzij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud anders is bepaald. Het terugkomen op de bewijsopdrachten was gerechtvaardigd omdat de eerdere lezing tot een ondeugdelijke einduitspraak zou leiden.
Gedaagden voerden verweer tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, stellende dat er een concreet restitutierisico bestaat en dat toewijzing verstrekkende gevolgen zou hebben. De rechtbank oordeelt dat gedaagden hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd en dat eiser door de lange wachttijd en zijn leeftijd een spoedeisend belang heeft bij uitvoerbaarheid bij voorraad.
De rechtbank veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van het bedrag en proceskosten, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af. Het verzoek tot tussentijds hoger beroep en verwijzing naar meervoudige kamer wordt eveneens afgewezen.