De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van meerdere leesmapondernemingen tegen boetes opgelegd door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) wegens overtreding van het kartelverbod door het onderling verdelen van klanten en het maken van gebiedsafspraken in de periode van 30 maart 2004 tot en met 30 augustus 2012.
ACM had boetes opgelegd op grond van artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (Mw), waarbij ook feitelijke leidinggevenden hoofdelijk aansprakelijk werden gesteld. Eisers betwistten niet de overtreding zelf, maar voerden aan dat ACM niet had bewezen dat de bagatelvrijstelling van artikel 7, tweede lid, Mw niet van toepassing was en voerden bezwaren tegen de hoogte van de boetes, de boetesystematiek, en de hoofdelijke aansprakelijkheid.
De rechtbank oordeelde dat de bagatelvrijstelling niet van toepassing was, bevestigde de bevoegdheid van ACM tot boeteoplegging en stelde dat de boetesystematiek niet leidde tot onevenredige boetes. De rechtbank matigde de boetes vanwege overschrijding van de redelijke termijn en wees het beroep op financiële hardheid af, omdat ACM voldoende rekening had gehouden met de financiële positie van eisers. De boetes werden vastgesteld op € 235.000,- voor de ondernemingen gezamenlijk en € 122.000,- voor de feitelijke leidinggevende, met hoofdelijke aansprakelijkheid.
De rechtbank wees tevens proceskosten toe aan eisers en verwees voor het kader en verdere overwegingen naar een gerelateerde uitspraak. Het beroep werd deels gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de boetes betrof.