Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
1.De procedure
- de dagvaarding van 24 juni 2016, met producties 1 tot en met 16;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;
- de oproepbrief van de rechtbank van 5 oktober 2016;
- de brief van mr. Verbaas van 10 januari 2017 met productie 3 tot en met 6;
- het B8-formulier namens [eisers] met productie 17;
- het proces-verbaal van comparitie van 31 januari 2017.
2.De feiten
dat het laatstgemeld perceel Sectie L nommer 3045 niet aan de openbare weg uitkomt, zodat voor dit perceel een uitweg over een aangrenzend perceel naar de [adres] noodzakelijk is, verklaarden bij deze te vestigen ten behoeve van het gemeld perceel Gemeente Schiedam, [perceel gedaagden] , als heersend erf en ten laste van het gemeld perceel Gemeente Schiedam [perceel] als dienstbaar erf de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de Tuinlaan over een strook grond ter breedte van ongeveer drie meter langs de noordwestelijke grens van het dienstbaar erf en te dien aanzien te bepalen:
ten laste van het voormelde lijdende erf [perceel] en ten behoeve van het voormelde heersend erf sectie [perceel gedaagden] wordt bij deze bepaald en vastgesteld en als erfdienstbaarheid gevestigd, zulks ter aanvulling op de reeds bestaande erfdienstbaarheid als voormeld:
3.Het geschil
1. Gedaagden te veroordelen, hoofdelijk, om binnen vier weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis, de toegangspoort zoals deze zich bevindt in de erfafscheiding gelegen tussen de percelen te Schiedam aan de [perceel gedaagden] (kadastraal bekend gemeente Schiedam, sectie [perceel gedaagden] ) en [perceel] (kadastraal bekend gemeente Schiedam, [perceel] ) te verwijderen, althans permanent te dichten, alsmede om binnen genoemde termijn voor hun rekening en ter vervanging van de huidige erfafscheiding op de erfgrens van genoemde percelen een ondoorzichtige schutting dan wel scheidsmuur te realiseren met een hoogte van twee meter, zulks onder verbeurte van een hoofdelijk door gedaagden te verbeuren dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat gedaagde met het vorenstaande in gebreke mochten blijven, althans een zodanige beslissing die de rechtbank in deze rechtens juist en billijk acht;