Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 augustus 2017 in de zaak tussen
[eiseres 1]
[eiseres 2],
[eiseres 3],
[eiseres 4],
[eiseres 5],
[eiseres 6]
[eiseres 7]
[eiseres 8],
[eiseres 9],
[eiseres 10]
[eiseres 11],
Rechtbank Rotterdam
De betaalinstellingen ontvingen van De Nederlandsche Bank (DNB) besluiten waarin toezichtkosten voor het jaar 2015 werden opgelegd. Na bezwaar wijzigde DNB deze besluiten gedeeltelijk, maar verklaarde de bezwaren alsnog ongegrond. De betaalinstellingen stelden dat de heffingen onevenredig hoog waren en dat de regeling onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke grondslag voor het opleggen van toezichtkosten aan buitenlandse betaalinstellingen met een Europees paspoort ontbrak, waardoor artikel 3, eerste lid, van de Regeling bekostiging financieel toezicht 2015 (Rbft 2015) voor deze categorie onverbindend is. Verder concludeerde de rechtbank dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat de ministeriële regeling ontbreekt voor de hoogte van de geheven bedragen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, herroept de (gewijzigde) primaire besluiten en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Tevens werd DNB veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van de betaalinstellingen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de Wet bekostiging financieel toezicht.