Eiser heeft drie Wob-verzoeken ingediend bij de Sociale Dienst Drechtsteden, waarbij het college de eerste twee verzoeken niet in behandeling nam wegens misbruik van recht en op het derde verzoek niet tijdig besloot. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten en verzocht om ontheffing van griffierecht wegens betalingsonmacht.
De rechtbank overwoog dat de Wob-verzoeken van eiser omvangrijk en ongespecificeerd waren, met verzoeken om alle documenten vanaf 1995 over uiteenlopende onderwerpen. Eiser gaf wisselende motieven voor zijn verzoeken, waaronder het voeren van procedures en het uitgeven van een boek. De rechtbank concludeerde dat eiser de verzoeken te kwader trouw indiende en misbruik maakte van recht.
Daarnaast werd het beroep op betalingsonmacht afgewezen omdat eiser niet volledig en juist had ingelicht over zijn inkomsten uit zelfstandige arbeid, en omdat hij misbruik van recht maakte door het veelvuldig starten van procedures met telkens een beroep op betalingsonmacht.
De rechtbank stelde vast dat eiser een groot aantal civielrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures voerde, vaak zonder belanghebbende te zijn, en dat hij met zijn verzoeken en procedures vooral dwangsommen en proceskosten wilde incasseren. Daarom werden de beroepen niet-ontvankelijk verklaard en werd geen ontheffing van griffierecht verleend.