Op 14 oktober 2009 vond bij een bedrijf in Rotterdam het laden van een wagon met methanol plaats waarbij meerdere milieuvoorschriften werden overtreden, zoals het niet lekvrij laden en het niet gebruiken van een laadarm met overvulbeveiliging. Verdachte werd ervan beschuldigd feitelijke leiding te hebben gegeven aan deze overtredingen. Tijdens de terechtzitting verklaarde verdachte dat hij opdracht gaf voorbereidingen te treffen voor laden met slangen, maar dat hij het laden met slangen expliciet verbood nadat een veilig alternatief was vastgesteld. Getuigenverklaringen bevestigden dat verdachte niet aanwezig was tijdens het laden en dat hij instructies gaf voor een veilige werkwijze.
De rechtbank oordeelde dat het opzet van de rechtspersoon op de overtredingen ontbrak en dat het handelen van medeverdachte tegen de instructies van verdachte in plaatsvond, waardoor dit niet aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Daarnaast werden diverse overtredingen verjaard verklaard. Ook het verweer van niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding redelijke termijn en andere procesverweren werd verworpen. Ten slotte werd het feit van schending van de zorgplicht niet strafbaar geacht.
De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk ten aanzien van enkele feiten, sprak verdachte vrij van de overige tenlastegelegde feiten en ontsloeg hem van rechtsvervolging voor het zorgplichtverweer. Hiermee werd verdachte volledig vrijgesproken van de hem ten laste gelegde milieuovertredingen.