De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen een bestuurder van een grote rederij die werd verdacht van betrokkenheid bij de illegale overbrenging van vier koelschepen naar landen buiten de Europese Gemeenschap, in strijd met de Europese Verordening (EG) Nr. 1013/2006 (EVOA).
De officieren van justitie vorderden een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee voorwaardelijk, wegens medeplegen en feitelijke leiding. De verdachte werd verweten dat hij samen met anderen opdracht had gegeven tot of feitelijke leiding had gehad over de overbrenging van de schepen Spring Bear, Spring Bob, Spring Deli en Spring Panda.
Uit het dossier, waaronder e-mailcorrespondentie en getuigenverklaringen, bleek dat de verdachte als financieel directeur en lid van de raad van bestuur betrokken was bij de besluitvorming en financiële afwikkeling, maar concrete handelingen die duiden op feitelijke leiding, zoals het geven van opdrachten, ontbraken. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende inzicht gaf in de feitelijke besluitvorming en rol van de verdachte.
Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De rechtbank liet verder onbesproken of de overbrenging van de schepen daadwerkelijk in strijd was met de EVOA.