Appellant, geïndiceerd voor begeleiding, verpleging en persoonlijke verzorging, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2013. Het Zorgkantoor trok het pgb in en vorderde onverschuldigd betaalde voorschotten terug vanwege onvoldoende verantwoording. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel aan zijn verantwoordingsverplichtingen had voldaan en dat het Zorgkantoor zijn moeder had moeten aanspreken omdat hij minderjarig was. De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan de bepalingen van artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ, onder meer door het ontbreken van facturen en onvolledige zorgovereenkomsten.
De Raad overwoog dat het Zorgkantoor terecht het pgb lager heeft vastgesteld en de voorschotten mocht terugvorderen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat eerdere goedkeuringen niet automatisch voor 2013 golden. Ook de brief en het stappenplan van de staatssecretaris over minderjarige budgethouders speelden geen rol bij de beoordeling van het vaststellings- en terugvorderingsbesluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.