ECLI:NL:RBROT:2018:4157
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van hondenbelasting en toetsing aan discriminatieverbod en evenredigheidsbeginsel
De zaak betreft een beroep van eiser tegen een aanslag hondenbelasting voor het jaar 2017 opgelegd door de gemeente Molenwaard. Eiser betoogt dat de hondenbelasting in strijd is met het discriminatieverbod, het evenredigheidsbeginsel en het recht op ongestoord genot van eigendom. De rechtbank overweegt dat de Gemeentewet gemeenten bevoegd maakt hondenbelasting te heffen vanwege de kosten die voortvloeien uit de bevuiling door honden.
De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 2013 waarin is vastgesteld dat hondenbelasting niet in strijd is met het discriminatieverbod, omdat er een redelijke grond is voor het onderscheid tussen hondenhouders en andere dierhouders. Ook het betoog dat het evenredigheidsbeginsel wordt geschonden faalt, mede omdat hondenbelasting een algemene belasting is en geen directe relatie behoeft te hebben met de kosten die honden veroorzaken.
Voorts oordeelt de rechtbank dat het recht op ongestoord genot van eigendom niet wordt geschonden door de hondenbelasting. De secundaire beroepsgrond dat de vrijstelling voor blindengeleide- en gehandicaptenhonden in opleiding niet fiscaal gerechtvaardigd zou zijn, wordt eveneens verworpen. De rechtbank concludeert dat de aanslag terecht is opgelegd en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag hondenbelasting wordt ongegrond verklaard.