Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[rechthebbende],
Rechtbank Rotterdam
De werknemer is sinds 1999 in dienst bij de werkgever en viel in april 2015 uit wegens psychische klachten. Vanaf april 2017 betaalde de werkgever geen loon meer en werd de arbeidsovereenkomst opgezegd met toestemming van het UWV per 31 maart 2018. De werknemer ontving een WIA-uitkering vanaf april 2017.
De werknemer verzocht de rechtbank om herstel van de arbeidsovereenkomst of subsidiair een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever in het re-integratietraject. Zij stelde dat het UWV ten onrechte de ontslagvergunning had verleend omdat de re-integratie onvoldoende was geweest.
De werkgever stelde dat zij aan alle re-integratieverplichtingen had voldaan en dat het UWV dit had bevestigd. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer onvoldoende had onderbouwd dat de werkgever tekort was geschoten. De bedrijfsarts had geen grove fouten gemaakt en meerdere bedrijfsartsen en het UWV onderschreven het oordeel dat de werknemer arbeidsongeschikt was en dat de werkgever haar verplichtingen was nagekomen.
Het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst en de billijke vergoeding werden afgewezen. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten van € 800,-. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst en subsidiaire billijke vergoeding wordt afgewezen omdat de werkgever aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan.