Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
In verband met een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstand heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 2 juni 2017. Tijdens dit gesprek heeft eiser diverse gegevens overgelegd, waaronder bankafschriften van zijn bankrekeningen bij de ASN bank. Verweerder heeft tijdens het gesprek geconstateerd dat eiser werkzaamheden heeft verricht voor stichting [Stichting] (de stichting). Aansluitend aan het gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden in eisers woning. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder eisers recht op bijstand gewijzigd naar de norm voor een kostendeler.
Bij brief van 8 juni 2017 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op
16 juni 2017. Omdat tijdens dit gesprek is geconstateerd dat eiser sinds 17 april 2014 bestuurder (voorzitter/secretaris) was van de stichting en hij actief was voor de stichting, heeft verweerder eisers recht op bijstand bij besluit van 20 juni 2017 per 16 juni 2017 opgeschort. Verweerder heeft eiser daarbij uitgenodigd voor een gesprek op 7 juli 2017 en hem verzocht om diverse gegevens te overleggen, waaronder zijn eigen bankafschriften, de bankafschriften van de (zakelijke) rekeningen van de stichting, een administratie van de stichting en andere stukken van de stichting. Eiser heeft onder meer bankafschriften van de zakelijke ING-rekeningen van de stichting overgelegd. Op verzoek van verweerder is eiser opnieuw verschenen op gesprek, ditmaal op 2 augustus 2017. Verweerder heeft de bevindingen van het rechtmatigheidsonderzoek neergelegd in een rapport van 16 augustus 2017. Op basis hiervan heeft verweerder de primaire besluiten I en II genomen op de grond dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat hij niet heeft doorgegeven dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor de stichting en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij desondanks recht zou hebben op (aanvullende) bijstand.
1 januari 2015 niet meer is vast te stellen, aangezien in januari 2015 de eerste contante storting heeft plaatsgevonden op de bankrekening van de stichting. Verweerder is niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. In dit verband wijst verweerder erop dat aan eiser opnieuw bijstand is toegekend.