ECLI:NL:CRVB:2018:263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde epileeractiviteiten
Appellante ontving bijstand en verrichtte gedurende meerdere jaren epileeractiviteiten zonder deze te melden, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand door het college. Na onderzoek en een gesprek met appellante concludeerde het college dat zij de inlichtingenverplichting had geschonden. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en stelde de boete lager vast op basis van draagkracht.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat de epileeractiviteiten als op geld waardeerbare arbeid gelden, ongeacht de intentie en het ontbreken van daadwerkelijke inkomsten. Voor de periode vóór het auto-ongeval in mei 2012 was intrekking en terugvordering terecht, maar voor de periode daarna had het college het recht op bijstand schattenderwijs moeten vaststellen op basis van twee werkdagen per week tegen het minimumloon.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het bestreden besluit, stelde de boete vast op €1.190,54 rekening houdend met de juiste bijstandsnorm, en beval het college een nieuw besluit te nemen over intrekking en terugvordering. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, met een boete vastgesteld op €1.190,54.