Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[Naam], te Rotterdam, verzoekster,
Rechtbank Rotterdam
Op 8 mei 2018 heeft de burgemeester van Rotterdam een last onder bestuursdwang opgelegd voor sluiting van een woning voor zes maanden wegens de vondst van 218 gram hennep, 25 patronen en drie vuurwapenonderdelen. De hoeveelheid hennep overschrijdt de gebruikershoeveelheid en wordt aangemerkt als handelshoeveelheid bestemd voor verkoop.
Verzoekster, ingeschreven in de woning maar niet huurder, heeft bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd. Zij stelde dat de aangetroffen middelen niet als hennep konden worden aangemerkt en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar belangen en die van haar minderjarige zoon. De voorzieningenrechter verwijst naar eerdere uitspraak waarin dit argument reeds is behandeld.
De rechtbank overweegt dat de burgemeester beleidsvrijheid heeft bij de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet en dat de ernst van de situatie sluiting rechtvaardigt. De belangenafweging is zorgvuldig gemaakt, waarbij de openbare orde zwaarder weegt dan de belangen van verzoekster en haar kind. Het verzoek om de woning slechts voor verzoekster open te stellen met huisverbod voor haar vader wordt niet als reëel beoordeeld.
De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.