De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van witwassen gerelateerd aan omkopingspraktijken binnen Vestia. De zoon van verdachte, medeverdachte 1, was als financial broker betrokken bij het verkrijgen van derivaatcontracten voor woningcorporaties en betaalde steekpenningen aan een medewerker van Vestia.
Hoewel medeverdachte 1 werd veroordeeld voor niet-ambtelijke omkoping, oordeelde de rechtbank dat de fees die hij ontving van banken een legale grondslag hadden en niet als afkomstig uit enig misdrijf konden worden aangemerkt. Hierdoor kon het witwassen door verdachte niet wettig en overtuigend worden bewezen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen van witwassen en beval de teruggave van in beslag genomen banktegoeden. De zaak omvatte uitgebreide financiële transacties tussen Zwitserse en Nederlandse bankrekeningen, maar de juridische toetsing wees uit dat de herkomst van het geld niet onrechtmatig was.
De uitspraak benadrukt het belang van het onderscheid tussen de illegale handelingen van derden en de legale inkomstenstromen die daaruit voortvloeien, wat cruciaal was voor de beoordeling van het witwasverweer.