Eiser had een betaalrekening bij ING met een creditcardlimiet, waarop vanaf 2013 een ongeoorloofd debetsaldo ontstond. ING plaatste daarop negatieve coderingen in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van het Bureau Krediet Registratie (BKR), waaronder een A-code voor betalingsachterstand. Ondanks meerdere betalingsregelingen en correspondentie werd de schuld pas in augustus 2017 volledig voldaan.
Eiser kocht in juli 2018 een woning met een ontbindende voorwaarde voor financiering, maar slaagde er niet in een hypotheek te verkrijgen vanwege de negatieve BKR-registraties. Hij vorderde in kort geding verwijdering van de coderingen, stellende dat deze onterecht waren en zijn kredietmogelijkheden belemmerden. ING verweerde zich met een beroep op de wettelijke verplichting tot registratie en betwistte dat eiser tijdig was opgekomen tegen de registratie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de termijn voor het indienen van een verzoek tot verwijdering zes weken bedraagt, maar dat deze procedure een kort geding betreft en dus niet niet-ontvankelijk is. Wel werd geoordeeld dat eiser onvoldoende spoedeisend belang had, maar dat dit belang toch aannemelijk was vanwege de woningkoop. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat de registratie noodzakelijk is voor een zorgvuldige kredietbeoordeling, mede vanwege de lange duur en onduidelijke oorzaak van de betalingsachterstand. De vordering werd daarom afgewezen en eiser veroordeeld in de proceskosten.