ECLI:NL:RBROT:2018:8920

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 november 2018
Publicatiedatum
31 oktober 2018
Zaaknummer
ROT 17 / 1195
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:47 APV Rotterdam 2012Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen waarschuwing op basis van beleidsregel

Eiser kreeg op 24 augustus 2016 een wijkverbod van drie dagen opgelegd wegens hinderlijk gedrag nabij woningen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV). Na bezwaar werd dit besluit herroepen en vervangen door een bestuurlijke waarschuwing van zes maanden, gebaseerd op een beleidsregel over overlastgevende personen.

Eiser stelde dat hij nog procesbelang had bij de beoordeling van de waarschuwing omdat deze zijn eer en goede naam aantastte. De rechtbank bevestigde dit procesbelang, verwijzend naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank oordeelde echter dat de waarschuwing geen besluit in de zin van de Awb is omdat deze niet op een wettelijk voorschrift maar op een beleidsregel is gebaseerd. Hierdoor is het beroep tegen de waarschuwing niet-ontvankelijk verklaard. Ook het beroep tegen overige onderdelen van het bestreden besluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Rotterdam op 1 november 2018.

Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke waarschuwing is niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet op een wettelijk voorschrift is gebaseerd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 17/1195

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 november 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: mr. A.J.M. Vélu,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. M.C. Rolle.

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een wijkverbod op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV) opgelegd voor de duur van drie dagen met ingang van diezelfde dag.
Bij besluit van 30 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Op 13 juni 2018 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Op
20 september 2018 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Pols, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. C. Basmagi.
Het beroep is gevoegd behandeld met de zaak ROT 17/5016. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken voor het doen van uitspraak gesplitst.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij het primaire besluit eiser wegens overtreding van artikel 2:47 van Pro de APV een wijkverbod van drie dagen opgelegd, omdat hij zich volgens verweerder hinderlijk heeft gedragen nabij woningen.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van 17 november 2016, het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en aan eiser in plaats van een wijkverbod een bestuurlijke waarschuwing gegeven voor het overtreden van artikel 2:47 van Pro de APV, ingaande op 24 augustus 2016 en voor de duur van zes maanden. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het bij de Beleidsregel overlastgevende personen 2016 bepaalde volgt dat na de eerste constatering van een overtreding een waarschuwing wordt afgegeven, en na de tweede constatering van een overtreding binnen zes maanden na de waarschuwing een wijkverbod van drie dagen wordt opgelegd.
3. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, aangezien de waarschuwing op 24 februari 2017 is uitgewerkt. Eiser stelt dat hij nog een procesbelang heeft, omdat hij door de waarschuwing in zijn eer en goede naam is aangetast. De rechtbank volgt eiser in deze stelling, nu de aan eiser gegeven waarschuwing een publieke afwijzing van zijn gedrag impliceert en dat daarmee tot op zekere hoogte aannemelijk is dat eiser daardoor in zijn eer en goede naam is aangetast. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1524, volgt dat in een dergelijk geval procesbelang aanwezig is.
4. Vervolgens is de vraag aan de orde of de waarschuwing moet worden aangemerkt als een besluit. In navolging van hetgeen is betoogd in de onderdelen 5.3 tot en met 5.6 van de conclusie van de staatsraad van de Raad van State van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249, beantwoordt de rechtbank die vraag ontkennend, nu de waarschuwing van zes maanden niet is gebaseerd op een wettelijk voorschrift, maar op een beleidsregel. Om die reden is het beroep, voor zover dat is gericht tegen de waarschuwing, niet-ontvankelijk. Nu eiser niet heeft gesteld dat hij nog een belang heeft bij een beoordeling van de overige onderdelen van het bestreden besluit, is ook het hiertegen gerichte beroep niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en mr. M. de Rijke, leden, in aanwezigheid van mr. M.I. Hiemstra - Wijnands, griffier. De beslissing is in het openbaar geschied op 1 november 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.