Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
2.De vaststaande feiten
3.De vordering en het verweer
4.De beoordeling
5.De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
Werknemer is sinds 1992 in dienst en heeft jaarlijks recht op wettelijke en bovenwettelijke vakantie-uren. In 2018 heeft zij slechts 7,5 uur opgenomen. Zij had vakanties geboekt naar Spanje en Indonesië en verzocht werkgever deze vast te stellen.
Werkgever heeft binnen de wettelijke termijn van twee weken na schriftelijke kenbaarheid van de vakantiewensen tijdig gewichtige redenen aangevoerd, namelijk de noodzaak van intensieve inwerkperiode en piekperiode op de afdeling, waardoor de vakantie niet kon worden toegekend.
De rechtbank oordeelt dat deze redenen voldoende gewicht hebben en dat de vakantie niet van rechtswege is vastgesteld. Werknemer heeft bovendien zelf het risico genomen door vroeg te boeken zonder overleg. De resterende vakantie-uren kunnen nog tot 1 juli 2019 worden opgenomen.
De vordering wordt afgewezen en werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot vaststelling van de vakantie wordt afgewezen wegens tijdig aangevoerde gewichtige redenen door de werkgever.