Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten;
- veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 50.000.
4.Waardering van het bewijs
- In vak 7 is [naam bedrijf 2] ingevuld als erkende inrichting voor nuttige toepassing van de afvalstoffen, terwijl dat bedrijf geen vergunning daartoe had;
- In vak 8 is ten onrechte code R13 ingevuld: opslag in afwachting van nuttige toepassing. Dit is onjuist omdat opslag met dat doel in de zin van de EVOA in Litouwen niet mogelijk was. Verder dient de R13 code altijd in samenhang met een andere R-code te worden ingevuld.
5.Strafbaarheid feiten
6.Strafbaarheid verdachte
7.Motivering straf
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
- 14a, 14b, 14c, 23, 47, 51 en 56 van het Wetboek van Strafrecht;
- 10.37 en 10.60 van de Wet milieubeheer;
- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- 2 en 18 van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
- 23 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen.
9.Bijlagen
10.Beslissing
een geldboete van € 50.000,- (vijftigduizend euro),
€ 20.000,- (twintigduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde rechtspersoon voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op
2 jaar, zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.