Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 8 januari 2016, voor zover inhoudende:
Economische delicten, waaronder overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de Ffw, zijn misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn begaan (artikel 2 Wet Pro op de economische delicten). Hiervoor wordt kleurloos opzet vereist, inhoudende dat de verdachte willens en wetens dient te hebben gehandeld zoals in de betreffende strafbepaling is omschreven. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de inhoud van de dossierstukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep genoegzaam dat de verdachte de in zijn volières aangetroffen (on)geringde vogels willens en wetens onder zich had. Gelet hierop is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zowel de ongeringde als de geringde vogels opzettelijk onder zich heeft gehad. Het standpunt van verdachte dat hij erop kon en mocht vertrouwen dat de vogels op een juiste wijze waren geringd, maakt dit niet anders."
3.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
29 mei 2018.