Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
2.De vaststaande feiten
Substantiële verhoging en vereenvoudiging van royalty, inclusief afdoende beschermende maatregelen
(…)
Definitieve ontbinding van de relatie [eiser] / [naam 2] met Biotempt/EBI Ant Sepsis
Volledige handelingsvrijheid [eiser] / [naam 2] .
Geen claim op kennis [eiser] / [naam 2] door derden (…)
Geen eisen aan de inhoudelijke en/of actieve betrokkenheid van [eiser] / [naam 2] , met uitzondering van endorsement ten behoeve van IPO (…)”
3.Het geschil
primair:Erasmus MC wordt veroordeeld om, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag of dagdeel dat Erasmus MC niet aan die veroordeling voldoet, aan prof. [eiser] zijn privé eigendommen als gespecificeerd in productie 10 af te geven, zulks binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechter in goede justitie te bepalen termijn;
4.De beoordeling
(New Hairstyle)) heeft geen betrekking op de onderhavige situatie, maar op de situatie dat een werknemer (niet zijnde een ambtenaar) in de buitengerechtelijke fase kosten voor rechtsbijstand heeft gemaakt waarvoor de werkgever op grond van zijn verplichting om zich als goed werkgever te gedragen aansprakelijk is. Dat is hier hoogstens het geval voor de kosten in verband met assistentie van prof. [eiser] in de procedure tegen Biotempt, doch die kosten zijn kennelijk al vergoed of in ieder geval geen onderdeel van de onderhavige procedure.
netto opbrengst. Onder netto opbrengst moet blijkens hetzelfde artikel worden verstaan de opbrengsten van het octrooi verminderd met de kosten die door Erasmus MC zijn gemaakt. Op grond van deze regeling krijgen uitvinders van een octrooi dus pas een aanspraak op Erasmus MC als, omdat en nadat Erasmus MC winst heeft gemaakt. Uit de door prof. [eiser] als productie 50 overgelegde correspondentie tussen hem, [naam 13] en [naam 14] van Erasmus MC van 12 april 2007 blijkt niet dat partijen iets anders zijn overeengekomen. Immers, ook in die correspondentie wordt van de zijde van Erasmus MC benadrukt dat het niet de bedoeling is dat uitvinders aanspraak kunnen maken op een vergoeding voordat Erasmus MC ‘uit de kosten is’ en uit niets blijkt dat Erasmus MC met een afwijking van die regeling akkoord is gegaan. De tekst van de overeenkomst van 12 april 2007 biedt daarvoor evenmin steun. Prof. [eiser] stelt ook niet, met de in dat verband van hem te verwachten precisie, wat er dan in zijn visie in afwijking van het beleid is afgesproken. Dat betekent dat voor getuigenbewijs geen aanleiding bestaat, bij gebreke van voldoende feitelijke onderbouwing.
one-roofmodel. Prof. [eiser] had bovendien een centrale rol in het conflict, mede vanwege zijn tegenstrijdige belangen, hetgeen door de Ondernemingskamer expliciet is overwogen. Erasmus MC zag zich vanwege het vorenstaande genoodzaakt om aan de samenwerking een einde aan te maken, ook om haar goede naam te beschermen. Het feit dat ook [naam 2] - die mede-uitvinder was en uit dien hoofde bij netto-opbrengsten (die er niet waren) ook recht zou hebben op uitvindersloon - partij was bij de vaststellingsovereenkomst, onderstreept de redelijkheid van deze beslissing, aldus Erasmus MC.
5.De beslissing
:
woensdag 1 mei 2019voor het nemen van een akte door prof. [eiser] alwaar zij zich dient uit te laten over vorenstaande punten.