De zaak betreft een verzoek van een werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werkneemster wiens ex-partner bij dezelfde werkgever frauduleuze handelingen zou hebben gepleegd. De werkgever stelt dat de werkneemster op de hoogte was of had moeten zijn van de fraude en daarmee haar verplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd, wat zou leiden tot een vertrouwensbreuk.
De werkneemster ontkent betrokkenheid en wetenschap van de fraude en wijst een loyaliteitsconflict af. Het onderzoek richtte zich op diverse financiële transacties en leningen, waarbij ook beslag werd gelegd op rekeningen van de werkneemster en haar ex-partner. De kantonrechter oordeelt dat de werkneemster plausibele verklaringen heeft gegeven voor de door de werkgever aangevoerde omstandigheden en dat onvoldoende concreet is gemaakt dat zij wetenschap had van de frauduleuze handelingen.
Ook het vermeende tegenwerken van het onderzoek door de werkneemster wordt niet vastgesteld. De kantonrechter concludeert dat de arbeidsverhouding niet duurzaam en ernstig verstoord is en wijst het verzoek tot ontbinding af. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.