De zaak betreft een kort geding tussen een lerares en Stichting BOOR over de plaatsing van de lerares na haar re-integratie. De lerares was sinds 1994 werkzaam bij een basisschool, maar na een periode van ziekte en geconstateerde tekortkomingen in haar functioneren werd zij tijdelijk geplaatst op een opleidingsschool voor een verbetertraject.
De lerares vorderde terugplaatsing naar haar oude standplaats, stellende dat zij niet disfunctioneert en dat de overplaatsing onterecht is. BOOR stelde dat er sprake is van onvoldoende functioneren en dat het verbetertraject noodzakelijk is. De kantonrechter oordeelde dat de tekortkomingen in het functioneren voldoende zijn vastgesteld, dat het verbetertraject passend is en dat de belangenafweging uitgaat in het voordeel van BOOR.
De vordering werd afgewezen, met veroordeling van de lerares in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter S.H. Poiesz.