De zaak betreft een kort geding tussen eiseres en gedaagde, waarbij eiseres vordert dat gedaagde wordt verboden werkzaamheden te verrichten die in strijd zijn met de in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbedingen. Tevens vordert eiseres betaling van een voorschot op verbeurde boetes.
Gedaagde werkte vanaf 2018 bij eiseres als Compliance Officer. In zijn arbeidsovereenkomst zijn diverse bedingen opgenomen, waaronder geheimhouding, een verbod op nevenwerkzaamheden, een non-concurrentie- en een relatiebeding, met boetebeding bij overtreding. Eiseres stelt dat gedaagde werkzaamheden verricht voor een concurrerend bedrijf in Turkije, wat hij betwist en stelt dat deze werkzaamheden in overleg met eiseres zijn verricht in het kader van een samenwerking.
De kantonrechter oordeelt dat de kort geding procedure niet geschikt is om met voldoende zekerheid vast te stellen of gedaagde de bedingen heeft overtreden. Het verweer van gedaagde is gemotiveerd en er is onvoldoende bewijs om de vorderingen toe te wijzen. Daarom worden de vorderingen afgewezen en wordt eiseres veroordeeld in de proceskosten.