Vader heeft gedurende jaren geldbedragen aan zijn zoon betaald ter ondersteuning van diens levensonderhoud. Vader stelt dat deze betalingen leningen waren die terugbetaald moesten worden, terwijl zoon betwist dat sprake is van een lening en stelt dat het om schenkingen ging.
Vader baseert zijn vordering mede op documenten met handtekeningen van zoon en op betalingen van zoon aan vader met omschrijvingen als 'aflossing schuld'. Zoon ontkent de erkenning van een lening en stelt dat de betalingen voortvloeien uit een morele verplichting, een natuurlijke verbintenis die niet afdwingbaar is.
De kantonrechter oordeelt dat vader de bewijslast draagt om aan te tonen dat sprake is van een geldleningsovereenkomst. De stukken voldoen niet aan de strenge eisen voor dwingend bewijs, en de verklaringen en omstandigheden leiden niet tot een sluitend bewijs van de lening. De zaak wordt aangehouden om vader in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren, onder meer door getuigen of stukken.
Ook wordt overwogen dat de vordering niet verjaard is, omdat opeisbaarheid en stuiting van verjaring aan de orde zijn. Tot slot wordt partijen geadviseerd hun verstoorde relatie te herstellen, bijvoorbeeld via mediation.