Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2020:6732

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juli 2020
Publicatiedatum
28 juli 2020
Zaaknummer
ROT 20/1116
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 1 sub e ParticipatiewetArt. 16 lid 1 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening recht op bijstand wegens te lang verblijf in het buitenland zonder dringende redenen

Eisers verbleven van 21 tot en met 28 augustus 2019 langer dan de toegestane vier weken in het buitenland, waardoor hun recht op bijstand werd herzien en een bedrag van €496,22 werd teruggevorderd. Eisers stelden dat zij door overlijden van de vader van eiser en ziekte van het gezin niet eerder konden terugkeren en dat er sprake was van zeer dringende redenen.

De rechtbank stelt vast dat het verblijf langer was dan toegestaan en dat op grond van artikel 13 lid 1 sub e van Pro de Participatiewet het recht op bijstand in die periode is uitgesloten. Artikel 16 lid 1 van Pro de Participatiewet biedt een uitzondering indien zeer dringende redenen dit noodzaken.

De rechtbank toetst of sprake is van een acute noodsituatie die levensbedreigend is of blijvend ernstig letsel kan veroorzaken. Eisers hebben dit niet aannemelijk gemaakt. Financiële moeilijkheden leiden niet tot een andere beoordeling. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de herziening van de bijstandsuitkering wegens te lang verblijf in het buitenland zonder dringende redenen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/1116

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] (eiseres) en [naam eiser] (eiser), te [plaats] , tezamen eisers,

gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eisers herzien over de maand augustus 2019 en wordt er een bedrag aan ontvangen bijstand van € 496,22 van eisers teruggevorderd.
Bij besluit van 28 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft telefonisch plaatsgevonden op 21 juli 2020. Eiseres is gehoord, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft in het primaire besluit de bijstandsuitkering van eisers herzien over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 augustus 201) en bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 496,22. De reden daarvan is dat eisers geen recht op bijstand hadden omdat zij in strijd met artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet (Pw) langer dan vier weken, namelijk van 21 augustus 2019 tot en met 28 augustus 2019, in het buitenland hebben verbleven.
2. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers meer dan vier weken in het buitenland hebben verbleven. Eisers stellen dat sprake is geweest van zeer dringende redenen om langer in het buitenland te verblijven. Tijdens de vakantie is de vader van eiser overleden. Kort daarop is eiser ziek geworden. Hij kreeg medicatie en rust voorgeschreven. Kort daarna werden de kinderen ook ziek. Eiser was vanwege zijn medische toestand en medicijngebruik niet in staat terug te reizen. Eiseres had in augustus 2019 nog geen rijbewijs. Eisers hebben actief gezocht naar alternatieven om thuis te komen. Zij hadden geen geld voor een vliegreis. Uiteindelijk konden eisers pas op 28 augustus 2019 met de ferry via Spanje terugkeren. Eisers begrijpen dat zij langer in het buitenland zijn geweest dan op grond van de Pw is toegestaan, maar zijn van mening dat er sprake is van een zeer dringende reden op grond waarvan verweerder op grond van artikel 16, eerste lid, van de Pw een uitkering aan eisers behoorde te verstrekken.
3.1.
Vaststaat dat eisers met hun verblijf in het buitenland van 21 augustus 2019 tot en met 28 augustus 2019 de per kalenderjaar maximale toegestane periode van verblijf in het buitenland hebben overschreden. Dit betekent dat zij op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw in de te beoordelen periode waren uitgesloten van het recht op bijstand.
3.2.
Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Pw kan verweerder bijstand verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Het gaat er daarbij niet om of het aan eisers te verwijten is dat zij langer dan toegestaan in het buitenland hebben verbleven, of om de reden waarom eisers niet tijdig konden terugreizen naar Nederland. Het gaat erom of er dringende redenen zijn die noopten tot het verlenen van bijstand over de periode waarin eisers daarop vanwege het te lange verblijf in het buitenland geen recht hadden. De rechtbank verwijst voor deze toetsingsmaatstaf naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 26 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3937) en van 11 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1366).
3.3.
Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in hun geval sprake was. De door hun overgelegde stukken bevatten geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een situatie zou zijn ontstaan die voor eiser(s) levensbedreigend was of die blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben als er over de betrokken periode geen bijstand wordt toegekend. De omstandigheid dat de uitsluiting van bijstand voor eisers een moeilijke financiële situatie tot gevolg had leidt niet tot een ander oordeel.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.W. Geerts, griffier. De uitspraak is gedaan op 29 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier is buiten staat
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.