Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift, met producties, van [verzoeker] , op 25 juni 2020 ter griffie ontvangen;
- het verweerschrift gedateerd 15 juli 2020 van The Art Hotel, met producties.
Rechtbank Rotterdam
De werknemer trad op 1 oktober 2019 in dienst bij The Art Hotel voor een bepaalde tijd van één maand, waarna de arbeidsovereenkomst per brief van 31 oktober 2019 werd verlengd tot 1 mei 2020. De werknemer bleef daarna ook na 1 mei 2020 werken, waarbij The Art Hotel hem op 6 en 9 mei 2020 verzocht een brief te ondertekenen waarin de voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor drie maanden werd bevestigd. De werknemer weigerde dit en werd naar huis gestuurd.
De werknemer vorderde een aanzegvergoeding op grond van artikel 7:668 lid 3 BW Pro omdat The Art Hotel niet tijdig schriftelijk had aangezegd of de arbeidsovereenkomst zou worden voortgezet. The Art Hotel stelde dat zij de verlenging mondeling op 30 maart 2020 had medegedeeld en dat de werknemer bewust de schriftelijke bevestiging niet wilde ondertekenen.
De kantonrechter oordeelde dat het schriftelijkheidsvereiste dwingend recht is en dat The Art Hotel niet had voldaan aan haar aanzegverplichting omdat niet vast stond dat de brief op 29 april 2020 was overhandigd. Hierdoor werd de aanzegvergoeding van € 1.850,- netto toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. De vordering tot transitievergoeding werd niet inhoudelijk beoordeeld omdat niet vaststond dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd.
The Art Hotel werd veroordeeld in de proceskosten en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: The Art Hotel is veroordeeld tot betaling van een aanzegvergoeding van € 1.850,- netto, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.