De rechtbank Rotterdam heeft op 30 juli 2020 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming toegewezen tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige. De moeder is sinds medio 2017 onbereikbaar en niet betrokken bij de opvoeding, terwijl de minderjarige sinds juni 2019 bij de vader verblijft zonder gezag. De moeder kampt met psychiatrische problematiek en middelengebruik, waardoor zij niet in staat is een stabiele opvoedsituatie te bieden.
De minderjarige vertoont externaliserend gedrag en mogelijk hechtingsproblematiek, met wisselende verblijfplaatsen in pleeggezinnen en bij familie. De vader biedt inmiddels een stabiele woonomgeving en wil de zorg voortzetten. De Raad acht het noodzakelijk dat een neutrale partij, de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, wordt benoemd tot voogd om de belangen van de minderjarige te behartigen en contactherstel met de moeder te bevorderen.
De rechtbank concludeert dat de aanvaardbare termijn voor onzekerheid over het perspectief van de minderjarige is verstreken en dat beëindiging van het gezag van de moeder gerechtvaardigd is. De voogdij wordt aan de gecertificeerde instelling toegewezen, die ook verantwoordelijk wordt gesteld voor het beheer van het vermogen van de minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.