Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 augustus 2020 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,
Rechtbank Rotterdam
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een beroep tegen een boete van €2.500,- opgelegd door de NVWA aan een pluimveeslachterij wegens zichtbare verontreiniging van karkassen met feces, gal of kropinhoud na de schoonmaakfase. De rechtbank verwijst naar een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie (arrest C-347/17) waarin is vastgesteld dat na schoonmaak en vóór koeling geen zichtbare verontreiniging meer mag zijn.
Eiseres betoogde dat kleine plekjes verontreiniging aanvaardbaar zijn en geen risico voor de volksgezondheid vormen, en dat het nieuwe strengere NVWA-controlebeleid onrechtmatig is ingevoerd. De rechtbank oordeelt dat het arrest geen ruimte laat voor een aanvaardbare graad van zichtbare verontreiniging en dat ook kleine plekjes een risico kunnen vormen. De controlewijze van de NVWA wordt als proportioneel en passend beoordeeld.
De rapporten van toezichthouders met constateringen van bezoedeling zijn voldoende bewijs en niet gemotiveerd betwist. De boete wordt niet gematigd omdat de overtreding verwijtbaar is en het risico voor de volksgezondheid niet gering is. De redelijke termijn is niet overschreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €2.500,- voor zichtbare verontreiniging op pluimveekarkassen na schoonmaakfase.