ECLI:NL:RBROT:2021:11556
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door gedragingen werknemer
Eiser was werkzaam bij Stroomopwaarts en werd geschorst en ontslagen vanwege klachten over zijn gedrag richting vrouwelijke collega’s. Verweerder, het UWV, weigerde een WW-uitkering omdat eiser door eigen schuld werkloos zou zijn geworden. Eiser betwistte dit en stelde dat het ontslag met wederzijds goedvinden plaatsvond en dat er geen dringende reden was.
De rechtbank overwoog dat het UWV zich een eigen oordeel moest vormen over verwijtbaarheid en dat het feit dat het ontslag op staande voet was ingetrokken en vervangen door een vaststellingsovereenkomst niet uitsluit dat er een dringende reden was. De gedragingen van eiser waren ernstig en voldoende onderbouwd door de werkgever en het UWV. De rechtbank vond de betwisting van eiser onvoldoende onderbouwd en oordeelde dat het UWV terecht het standpunt innam dat er sprake was van verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank concludeerde dat de gedragingen zwaarder wegen dan de financiële gevolgen van het ontslag en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt ongegrond verklaard.