ECLI:NL:CRVB:2018:3467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag wegens plichtsverzuim
Appellant was sinds 2008 in dienst bij de gemeente Rotterdam en bekleedde een leidinggevende functie. Na verschillende incidenten, waaronder een elleboogstoot tegen zijn leidinggevende in 2012 en meerdere gedragingen in 2014 en 2015, werd hij geschorst en uiteindelijk ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim.
Het UWV weigerde de WW-uitkering per 17 juni 2015 blijvend geheel vanwege verwijtbare werkloosheid. Appellant stelde bezwaar en beroep in, maar de rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep bevestigden het besluit. De Raad overwoog dat het onderscheid tussen objectief en subjectief dringende reden niet langer geldt voor de voortvarendheid van de werkgever bij ontslag.
De Raad concludeerde dat aan de werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro ten grondslag ligt en dat appellant dit verwijt kan worden gemaakt. Gezien de ernst van de gedragingen en eerdere waarschuwingen was het ontslag gerechtvaardigd. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.