ECLI:NL:RBROT:2021:12252

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 december 2021
Publicatiedatum
14 december 2021
Zaaknummer
ROT 20/3756
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:57 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing maatwerkvoorziening maaltijdservice onder Wmo 2015

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder om geen maatwerkvoorziening te verlenen voor een maaltijdservice op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). In een eerdere tussenuitspraak werd vastgesteld dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de kosten en draagkracht van eiseres.

Na aanvullend onderzoek concludeerde verweerder dat eiseres voldoende financiële ruimte zou hebben voor zowel maaltijd- als boodschappenservice. Eiseres betwistte dit, met name omdat woonkosten niet waren meegenomen in de berekening.

De rechtbank oordeelt dat boodschappenservices algemeen gebruikelijk zijn en financieel te dragen met een minimumniveau inkomen, maar dat de meerkosten van een maaltijdservice (€ 220 per maand) niet financieel draagbaar zijn. Daarom is de maaltijdservice geen algemeen gebruikelijke voorziening en had verweerder de aanvraag niet mogen afwijzen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de maaltijdservice betreft, beveelt een nieuwe beslissing op bezwaar binnen zes weken en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de maaltijdservice wordt vernietigd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/3756

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. H. Devkinandan,
en

[verweerder] , verweerder,

gemachtigde: [naam gemachtigde] .

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 22 maart 2021 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 4 juni 2020 (het bestreden besluit) in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft zij verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.
Bij brief van 22 april 2021 heeft verweerder gebruik gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.
Bij brief van 25 mei 2021 heeft eiseres haar zienswijze kenbaar gemaakt.
Bij brief van 4 juni 2021 heeft verweerder gereageerd op de zienswijze.
Bij brief van 24 juni 2021 heeft eiseres haar reactie gegeven.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en zij sluit hierbij het onderzoek.

Overwegingen

1. Voor de van belang zijnde feiten, standpunten van partijen en de toepasselijke regelgeving verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
2. In rechtsoverweging 10 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank – voor zover van belang – overwogen dat verweerder niet heeft onderzocht wat de kosten van een maaltijd- en boodschappenservice zijn en of eiseres deze voorzieningen financieel kan dragen.
3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder aanvullend onderzoek verricht naar het inkomen van eiseres en de kosten van diverse maaltijd- en boodschappenservices. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapportage inkomensonderzoek van 21 april 2021. Verweerder heeft – samengevat – gesteld dat eiseres gelet op haar inkomen en haar vaste lasten voldoende financiële ruimte heeft om de kosten van een maaltijdservice en een boodschappenservice te dragen.
4. Eiseres stelt in haar zienswijze dat verweerder bij zijn berekening ten onrechte geen bedrag voor woonkosten in aanmerking heeft genomen. In hun nadere reacties hebben partijen laten weten hun standpunten te handhaven.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kan een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt als deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 19 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3535).
6. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat diverse boodschappenservices gratis of tegen geringe kosten voor eiseres beschikbaar zijn. Daarnaast volgt uit vaste rechtspraak dat de kosten van een boodschappenservice financieel kunnen worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3690). Nu eiseres voor de boodschappen gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijke voorziening, heeft verweerder haar hiervoor terecht geen maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verstrekt.
7. Dit is anders voor wat betreft de maaltijdservice. Volgens de berekening van verweerder bedragen de meerkosten van een maaltijdservice ten opzichte van de NIBUD-norm voor een warme avondmaaltijd gemiddeld € 220,29 per maand. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze kosten niet financieel gedragen worden met een inkomen op minimumniveau, zodat de maaltijdservice niet als een algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Verweerder mocht de aanvraag van eiseres dan ook niet op deze grond afwijzen. Het beroep is in zoverre gegrond.
8. De rechtbank kan de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand laten. Er is bij gebreke aan informatie ook geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom worden opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de tussenuitspraak en deze uitspraak.
9. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenbestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.870,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de maaltijdservice;
  • bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.870,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, in aanwezigheid van
mr. T.M.J. Smits en mr. A. Pahladsingh, leden en mr. E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 16 december 2021.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 22 maart 2021 kan binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.