ECLI:NL:RBROT:2021:1489
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt dat polishouders belanghebbenden zijn bij instemmingsbesluit DNB voor overgang verzekeringsportefeuille
De zaak betreft het instemmingsbesluit van De Nederlandsche Bank (DNB) van 26 februari 2019, waarbij DNB akkoord ging met de overgang van alle levensverzekeringen van Optas naar Aegon bij een juridische fusie. Meerdere polishouders, waaronder eisers, maakten bezwaar tegen dit besluit en werden door DNB niet-ontvankelijk verklaard omdat zij volgens DNB geen belanghebbenden zouden zijn.
De rechtbank oordeelt dat de polishouders wel degelijk een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben bij het instemmingsbesluit, ondanks dat het financiële belang voortvloeit uit hun contractuele relatie met Optas. De rechtbank volgt de jurisprudentie dat een voldoende direct geraakt belang vereist is en stelt vast dat het instemmingsbesluit de mogelijkheid schept dat hun rechten en verplichtingen overgaan naar Aegon, wat hen direct raakt.
Verder weerlegt de rechtbank het argument van DNB dat het belang van de eisers niet persoonlijk zou zijn omdat ook vele anderen getroffen worden. De rechtbank benadrukt dat een natuurlijk persoon die opkomt voor een eigen, persoonlijk belang belanghebbende kan zijn, ook als anderen in soortgelijke positie verkeren.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt DNB op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt DNB veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd; DNB moet een nieuw besluit nemen en proceskosten vergoeden.