ECLI:NL:CBB:2018:243

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
8 mei 2018
Publicatiedatum
6 juni 2018
Zaaknummer
15/659
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar omwonende tegen SDE-subsidieverlening biomassacentrale niet-ontvankelijk wegens ontbreken rechtstreeks belang

Bij besluit van 18 februari 2015 verleende de minister van Economische Zaken en Klimaat een SDE-subsidie aan een producent voor een biomassacentrale. Een omwonende maakte bezwaar tegen dit besluit omdat zij vreest voor hinder en milieugevolgen van de biomassacentrale. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de omwonende geen belanghebbende was bij het besluit tot subsidieverlening.

De omwonende stelde in beroep dat zij wel belanghebbende is omdat zonder subsidie de biomassacentrale niet gebouwd zou worden en dat volgens jurisprudentie ook derden met een tegengesteld belang en afgeleid belang als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Het College oordeelde dat het belang van de omwonende niet rechtstreeks wordt geraakt door het subsidiebesluit, omdat het recht om te bouwen voortvloeit uit de omgevingsvergunning en niet uit de subsidie.

Het College verwierp het betoog dat de omwonende een eigen belang heeft als derde met een tegengesteld belang en stelde dat er geen voldoende causaal verband bestaat tussen het subsidiebesluit en het belang van de omwonende. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de omwonende is ongegrond verklaard omdat zij geen belanghebbende is bij het subsidiebesluit.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/659
27301

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , appellante

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Cromheecke).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam 2] voor haar productie-installatie in [plaats 2] een exploitatiesubsidie verleend in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie (SDE+2014) over de periode 1 september 2017 tot 31 augustus 2029 (SDE-subsidie).
Bij besluit van 15 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
[naam 2] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om als partij aan het geding deel te nemen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2017.
Appellante is niet verschenen. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1
Het college van burgemeester en wethouders van [plaats 2] heeft op 31 oktober 2014 aan [naam 2] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een biomassacentrale op het perceel [adres] (ong.) te [plaats 2] . Verweerder heeft bij het primaire besluit voor deze productie-installatie SDE-subsidie verleend. Appellante woont in de omgeving van de installatie. Als omwonende heeft zij bezwaar gemaakt tegen het besluit tot subsidieverlening aan [naam 2] .
1.2
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante en de door haar vertegenwoordigde bewoners (“Bezorgde Bewoners [plaats 1] ”) geen belanghebbende zijn bij het besluit tot subsidieverlening.
1.3
Appellante voert in beroep aan dat zij belanghebbende is omdat de biomassacentrale zonder subsidie niet gebouwd zal worden. Volgens appellante volgt uit de jurisprudentie dat een ‘derde’ met een tegengesteld belang, zoals zij, een ‘eigen’ belang heeft en dat ook personen die een afgeleid belang hebben en als gevolg van een besluit een economisch of ander nadeel leiden, tevens belanghebbenden zijn.
2. Het College komt tot de volgende beoordeling.
2.1
In dit geding moet de vraag worden beantwoord of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat appellante geen belanghebbende is bij het besluit tot subsidieverlening aan [naam 2] voor haar productie-installatie.
2.2
Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) definieert de belanghebbende als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om van een rechtstreeks belang te kunnen spreken moet er volgens vaste rechtspraak een voldoende direct geraakt belang zijn. In de eis van direct geraakt belang komt tot uitdrukking dat er een voldoende causaal verband moet zijn tussen de gevolgen van een besluit en de belangen van een partij.
2.3.
Het College is van oordeel dat appellante als omwonende geen belang heeft dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit tot subsidieverlening aan [naam 2] . Het belang van appellante is dat [naam 2] de productie-installatie niet realiseert omdat appellante door de bouw van de biomassacentrale zichthinder en andere nadelige (milieu)gevolgen voor haar woon- en leefomgeving vreest. Naar het oordeel van het College bestaat, ook indien [naam 2] de productie-installatie zonder de exploitatiesubsidie niet zou (kunnen) realiseren, tussen de gevolgen van het besluit tot subsidieverlening en het belang van appellante geen voldoende causaal verband. Het besluit tot subsidieverlening geeft [naam 2] immers geen recht om de productie-installatie te mogen bouwen. Dit recht volgt uitsluitend uit de voor dit doel afgegeven omgevingsvergunning.
Het betoog van appellante dat zij als derde met een tegengesteld belang, een 'eigen’ belang heeft en dus belanghebbende is, faalt evenzo. Het (tegengestelde) belang van appellante ziet op de keuze voor de locatie van de voorziene biomassacentrale. De subsidieverlening heeft voor appellante geen rechtstreekse gevolgen.
Appellante betoogt verder dat ook personen die een afgeleid belang hebben en als gevolg van een besluit een economisch of ander nadeel leiden, tevens belanghebbende zijn. Wat daar verder ook van zij, het belang van appellante is niet parallel aan het belang van [naam 2] en zij heeft ook geen daarvan afgeleid belang. Dit betoog van appellante faalt evenzeer.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellante geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij het besluit tot subsidieverlening.
2.4
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat voor appellante niet op grond van artikel 7:1 van Pro de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:1 van Pro de Awb, de mogelijkheid van bezwaar open staat. Verweerder heeft het bezwaar van appellante daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. R.R. Winter en mr. W. den Ouden, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. A. Graefe