Opposant maakte bezwaar tegen een besluit van 15 maart 2019, dat door verweerder niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van een handtekening op het bezwaarschrift. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep kennelijk ongegrond en deed dit zonder zitting.
In het verzet stelde opposant dat het ontbreken van een handtekening niet tot niet-ontvankelijkheid mocht leiden, omdat zijn identiteit via het bekende e-mailadres vaststond en hij al jaren per e-mail correspondeert met verweerder. De verzetrechter overwoog dat het onverkort vasthouden aan de eis van een handtekening niet langer houdbaar is, mede gelet op recente jurisprudentie en het feit dat elektronische communicatie en ondertekening steeds meer gangbaar zijn.
De rechtbank oordeelde dat het eerdere oordeel onjuist was en verklaarde het verzet en het beroep gegrond. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, waarbij de identiteit van opposant op andere wijze vastgesteld kan worden, bijvoorbeeld via een hoorzitting. De rechtbank wees proceskostenveroordeling af en informeerde partijen over de mogelijkheid tot hoger beroep.