ECLI:NL:RBROT:2021:3002
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Huurprijsvermindering en achterstallige huur wegens gebreken en coronamaatregelen winkelruimte
In deze zaak tussen een huurder en verhuurder van een winkelruimte aan de 1e Middellandstraat te Rotterdam staat centraal de huurprijs, gebreken aan de kelderruimte en de gevolgen van de coronamaatregelen.
De huurder erkent een huurachterstand van €16.427,18 tot en met december 2020. De verhuurder stelt dat er sprake is van gebreken in de kelder, waaronder lekkages en een scheur met stank- en ongedierteoverlast. De kantonrechter oordeelt dat de kelder onderdeel uitmaakt van het gehuurde en dat de gebreken een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW Pro vormen. De huurder mocht daarom een deel van de huur opschorten, wat door de kantonrechter gerechtvaardigd wordt gezien de lange herstelperiode van bijna anderhalf jaar.
De kantonrechter kent de huurder een huurprijsvermindering toe van 25% over de periode 14 augustus 2017 tot 23 januari 2019 wegens lekkages en 10% over de periode 4 juli tot 31 oktober 2019 wegens de scheur in de muur. Dit leidt tot een totaalbedrag van €9.867,99 aan huurprijsvermindering. De verhuurder wordt veroordeeld dit bedrag te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Het verzoek van de huurder tot contractuele boete wordt gematigd tot nihil.
Ten aanzien van de door de huurder gevorderde wijziging van de huurovereenkomst wegens de coronamaatregelen wordt geoordeeld dat deze onvoorziene omstandigheden opleveren, maar dat de huurder onvoldoende bewijs heeft geleverd van omzetdaling. Daarom wordt de gevorderde huurverlaging afgewezen. De ontbinding van de huurovereenkomst wordt eveneens afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Huurder betaalt huurachterstand; verhuurder betaalt huurprijsvermindering wegens gebreken; verzoek huurverlaging coronamaatregelen afgewezen.