ECLI:NL:RBROT:2021:3839
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van Ziektewet-uitkering na mislukte werkhervatting en motiveringsgebrek in bezwaarprocedure
Eiser maakte bezwaar tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over de toekenning en beëindiging van een Ziektewet-uitkering. De rechtbank stelde in een tussenuitspraak vast dat het eerste besluit onvoldoende was gemotiveerd omdat geen verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek was gedaan, en vernietigde dit besluit.
Naar aanleiding daarvan nam verweerder een nieuw besluit waarin de Ziektewet-uitkering werd toegekend voor de periode van 4 december 2017 tot 3 december 2018. Zowel eiser als zijn werkgever, [naam bedrijf 1], maakten bezwaar tegen dit tweede besluit. De werkgever trad als derde belanghebbende op en voerde aan dat eiser arbeidsongeschikt was bij indiensttreding en zijn meldingsplicht had geschonden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het nieuwe besluit zorgvuldig had gemotiveerd, waarbij werd aangesloten bij medische rapporten van februari 2018 en maart 2019. De belastbaarheid van eiser was volgens deze rapporten niet wezenlijk gewijzigd, en de arbeidsdeskundige concludeerde dat eiser 82,86% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond en bevestigde de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 3 december 2018.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan eiser wordt vergoed. Het beroep tegen het eerste besluit werd gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De uitspraak is gedaan door rechter M.V. van Baaren op 29 april 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 3 december 2018 bevestigd.