Eiser, werkzaam als rijinstructeur, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd omdat zijn lesauto zonder geldig parkeerbewijs op een parkeerplaats in Rotterdam stond. Eiser betwistte dat sprake was van parkeren en stelde dat hij slechts onmiddellijk in- en uitstapte. De rechtbank oordeelde dat het begrip 'onmiddellijk in- en uitstappen' slechts de feitelijke handeling omvat en dat de tijdsduur van 17 minuten te lang is om dit te kwalificeren als onmiddellijk in- en uitstappen.
Daarnaast stelde eiser dat verweerder te laat had beslist op zijn bezwaar en dat hij recht had op een dwangsom. De rechtbank vond de ingebrekestelling echter prematuur omdat de beslistermijn nog liep ten tijde van de ingebrekestelling, waardoor het beroep niet-ontvankelijk was.
De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd omdat eiser geen parkeerbelasting had voldaan terwijl hij geparkeerd stond. Het beroep tegen het besluit werd ongegrond verklaard en het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.