De rechtbank Rotterdam heeft op 28 mei 2021 uitspraak gedaan in een zaak tussen [persoon A] en Nautic Services & Consultancy B.V. [persoon A] was sinds 16 juli 2018 in dienst als financieel medewerkster en werd op 1 december 2020 op staande voet ontslagen wegens disfunctioneren. Zij betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag en vorderde onder meer een billijke vergoeding, transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en het vervallen verklaren van het relatiebeding.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven omdat Nautic geen dringende reden had, het ontslag niet onverwijld was gegeven en er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Het disfunctioneren was onvoldoende onderbouwd en het verbetertraject was door ziekte van [persoon A] niet of nauwelijks gestart. Nautic had bovendien te lang gewacht met het ontslag.
De rechtbank kende aan [persoon A] een billijke vergoeding van € 7.500 toe, rekening houdend met de korte duur van het dienstverband, de situatieve arbeidsongeschiktheid en haar positie op de arbeidsmarkt. Daarnaast werden de transitievergoeding van € 2.484 en de gefixeerde schadevergoeding van € 3.247,56 toegewezen. Het relatiebeding werd vervallen verklaard per 1 december 2020 wegens ernstig verwijtbaar handelen van Nautic. Nautic werd veroordeeld in de proceskosten.