De eiseres trad op 1 januari 2018 in dienst bij de rechtsvoorganger van de gedaagde als bedrijfsleidster in een tabakswinkel. Na een eerdere procedure kreeg zij loon uitbetaald tot en met september 2020. Vanaf 1 oktober 2020 nam de gedaagde de winkel over, waarna geen loon meer werd betaald.
De eiseres vorderde in kort geding betaling van achterstallig loon tot en met december 2020, doorbetaling van loon vanaf januari 2021 tot einde arbeidsovereenkomst, wettelijke verhoging en rente. De kantonrechter stelde vast dat eiseres sinds 5 november 2019 ziek is en nog steeds niet kan werken, waarbij de gedaagde onvoldoende bewijs leverde van herstel.
De rechter oordeelde dat eiseres recht heeft op doorbetaling van 70% van haar loon tijdens ziekte, minimaal het wettelijk minimumloon, en dat de gedaagde tekort is geschoten in zijn betalingsverplichting. De loonvordering, wettelijke verhoging van 25% en rente werden toegewezen. De gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten.