Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- het verzoekschrift met producties 1 t/m 8, ingekomen ter griffie op 21 mei 2021;
- het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek met producties 1 t/m 22;
- de door Dewi Sri bij brief d.d. 22 juni 2021 overgelegde aanvullende productie 23;
- de door [verzoeker] bij brief d.d. 1 juli 2021 ingediende wijziging van het initiële verzoek tevens verweerschrift in het voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek.
2..De feiten
Met deze brief bevestig ik hetgeen dat op vrijdag 26 maart 2021 met jou besproken is.
3..Het verzoek ex artikel 7:681 BW Pro van [verzoeker]
4..Het verweer van Dewi Sri
de ernstige verwijtbaarheid van [verzoeker]” de arbeidsovereenkomst dadelijk te beëindigen zonder toekenning van een transitievergoeding en billijke vergoeding aan [verzoeker] alsmede om [verzoeker] in de proceskosten te veroordelen, af te wijzen.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 39). De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer, valt bij gebreke aan een dringende reden en de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden in het onderhavige geval niet in te zien dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dat betekent dat Dewi Sri de transitievergoeding verschuldigd is en nu zij de hoogte van het door [verzoeker] gevorderde bedrag niet heeft betwist, zal worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding van € 9.208,47 bruto. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, derhalve vanaf 26 april 2021.