De officier van justitie verzocht op 12 december 2020 een zorgmachtiging voor betrokkene voor zes vormen van verplichte zorg. De rechtbank verleende op 6 januari 2021 een machtiging voor twee vormen van zorg, zonder betrokkene te horen, omdat werd aangenomen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.
Betrokkene stelde beroep in cassatie. De Hoge Raad vernietigde op 16 juli 2021 de beschikking wegens onvoldoende motivering van het oordeel dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen en verwees de zaak terug naar de rechtbank.
Op 21 september 2021 vond een mondelinge behandeling plaats waarbij betrokkene wel werd gehoord. De rechtbank handhaafde het oordeel dat verplichte zorg noodzakelijk is, omdat vrijwillige behandeling niet mogelijk bleek. De zorgmachtiging werd opnieuw verleend voor de duur van zes maanden, met dezelfde vormen van verplichte zorg als in de eerste beschikking.
De rechtbank oordeelde dat de beoordeling ex tunc moest plaatsvinden, om de rechtmatigheid van de eerdere dwangtoepassing te toetsen. De beschikking werd op 5 oktober 2021 schriftelijk vastgelegd. Tegen deze beschikking staat cassatie open.