ECLI:NL:RBROT:2022:10940
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor wegens onvoldoende specificatie feiten en bewijs
De rechtbank Rotterdam behandelde op 1 december 2022 het verzoek van verzoeker tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor tegen ABN AMRO Bank N.V. Verzoeker wilde met het getuigenverhoor bewijsmateriaal verzamelen voor een herzieningsverzoek van zijn strafrechtelijke veroordeling uit 2002, die volgens hem onterecht was en voortkwam uit onrechtmatig handelen van ABN AMRO.
Verzoeker stelde dat ABN AMRO onrechtmatig had gehandeld door onjuiste aangifte te doen over vermeende valse bankgaranties, wat leidde tot zijn voorlopige hechtenis en strafrechtelijke veroordeling. Hij wilde achttien getuigen horen, waaronder prominente personen en oud-medewerkers van diverse instanties, om zijn stellingen te onderbouwen.
De kantonrechter oordeelde echter dat het verzoekschrift onvoldoende concreet was. Verzoeker gaf niet duidelijk aan welke feiten en rechten hij wilde bewijzen, noch waarom de getuigen hierover konden verklaren. Zijn verzoekschrift bevatte een wirwar aan stellingen zonder samenhang of relevante onderbouwing. Ook tijdens de mondelinge behandeling kon verzoeker dit niet verduidelijken.
De rechtbank wees het verzoek daarom af en veroordeelde verzoeker in de proceskosten van ABN AMRO. De beslissing benadrukt het belang van een duidelijke en concrete onderbouwing bij verzoeken tot voorlopig getuigenverhoor, conform artikel 187 lid 3 Rv Pro en jurisprudentie van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen wegens onvoldoende specificatie van de te bewijzen feiten en rechten.