ECLI:NL:RBROT:2022:10944

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 november 2022
Publicatiedatum
14 december 2022
Zaaknummer
10016687 / CV EXPL 22-22612
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 476a RvArt. 477a lid 1 RvArt. 6:119 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling werkgever tot betaling derdenbeslag en incassokosten wegens niet doen van verklaring

Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft op basis van meerdere dwangbevelen een bedrag van € 4.850,57 gevorderd van de werkgever van een werknemer, nadat deze werknemer niet aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. Het CJIB legde op 16 mei 2022 executoriaal derdenbeslag op het loon van de werknemer bij de werkgever. Volgens artikel 476a lid 1 Rv was de werkgever verplicht binnen twee weken na het beslag een verklaring af te leggen over de vorderingen en zaken die door het beslag werden getroffen.

De werkgever heeft deze verklaring niet gedaan, ondanks sommatiebrieven van het CJIB. Het CJIB vordert daarom op grond van artikel 477a lid 1 Rv betaling van het beslagbedrag als ware de werkgever zelf schuldenaar, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en rente. De werkgever verweert zich door te stellen dat er meerdere beslagleggingen zijn en dat het onmogelijk is om aan alle verzoeken te voldoen zonder de beslagvrije voet te overschrijden.

De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet aan zijn wettelijke verplichting heeft voldaan en veroordeelt hem tot betaling van het beslagbedrag en de buitengerechtelijke incassokosten. De rente over de hoofdsom wordt toegewezen, maar niet over de incassokosten. Daarnaast wordt de werkgever veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het beslagbedrag, incassokosten, rente en proceskosten, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10016687 / CV EXPL 22-22612
datum uitspraak: 25 november 2022
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
de Staat der Nederlanden, meer speciaal de Minister voor Rechtsbescherming, en voor deze vertegenwoordigd door de directeur Dienstverlening & Incasso van het Centraal Justitieel Incasso Bureau,
zetelend in ’s-Gravenhage,
eiseres,
gemachtigde: Geerlings & Hofstede Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam,
tegen
[gedaagde01],
gevestigd in [vestigingsplaats01] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door [naam01] .
De partijen worden hierna ‘het CJIB’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 22 juli 2022, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de brief van 16 augustus 2022, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 6 oktober 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken, gelijktijdig met de zaak met zaaknummer 10016809 / CV EXPL 22-22622. Namens de gemachtigde van het CJIB is de heer [naam02] verschenen. Namens [gedaagde01] is niemand verschenen.

2.De feiten

2.1.
Het CJIB heeft op grond van meerdere dwangbevelen vorderingen op de heer [naam03] (‘ [naam03] ’). Het CJIB heeft dit dwangbevel aan [naam03] betekend. [naam03] is niet tot betaling overgegaan.
2.2.
Het CJIB heeft hierna inkomensgegevens bij het UWV opgevraagd, om beslag te leggen op de inkomsten van [naam03] . Gebleken is dat [naam03] een arbeidsovereenkomst heeft met [gedaagde01] .
2.3.
Op 16 mei 2022 heeft het CJIB vervolgens voor een bedrag van € 4.850,57 executoriaal derdenbeslag gelegd onder [gedaagde01] op de inkomsten van [naam03] . Bij dit derdenbeslag is in tweevoud het formulier ex artikel 475 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) gevoegd. Het derdenbeslag is op 16 mei 2022 overbetekend aan [naam03] .
2.4.
[gedaagde01] heeft niet na twee weken na het leggen van het beslag verklaring gedaan van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Het CJIB heeft [gedaagde01] bij brieven van 31 mei 2022 en 20 juni 2022 gesommeerd om alsnog te verklaren en de inhouding van mei 2022 aan (de gemachtigde van) het CJIB af te dragen. Hier heeft [gedaagde01] niet aan voldaan.

3.Het geschil

3.1.
Het CJIB eist samengevat:
  • [gedaagde01] te veroordelen aan haar te betalen € 5.588,74 met rente;
  • [gedaagde01] te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 4.850,57 en buitengerechtelijke incassokosten van € 738,17.
3.2.
Het CJIB baseert de eis op het volgende. [gedaagde01] had op grond van artikel 476a Rv twee weken na het leggen van beslag verklaring moeten doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Dat heeft [gedaagde01] , ook na twee sommaties, niet gedaan. Het CJIB houdt [gedaagde01] daarom op grond van artikel 477a lid 1 Rv aansprakelijk voor het bedrag waarvoor beslag is gelegd, als ware [gedaagde01] dat bedrag zelf verschuldigd. [gedaagde01] moet daarnaast aan het CJIB de schade vergoeden die zij heeft geleden ten gevolge van het niet doen van verklaring door [gedaagde01] , welke kosten op grond van het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten zijn berekend.
3.3.
[gedaagde01] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. Door verschillende omstandigheden is er niet ingegaan op het verzoek van het CJIB om het loon van [naam03] in te houden. [naam03] heeft meerdere schuldeisers. Er hebben al meerdere loonbeslagen plaatsgevonden sinds [naam03] bij [gedaagde01] in dienst is getreden. [gedaagde01] heeft daar op dit moment geen overzicht van. Het is voor [gedaagde01] niet mogelijk om het verzoek van alle schuldeisers in te willigen, ook omdat dit zal leiden tot een grotere inhouding dan de beslagvrije voet. [gedaagde01] wil desondanks alsnog meewerken en het verzoek van het CJIB inwilligen.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 476a lid 1 Rv was [gedaagde01] - zodra twee weken waren verstreken na het leggen van het beslag - verplicht om te verklaren welke vorderingen en zaken door het gelegde beslag waren getroffen. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde01] deze verklaring niet heeft gedaan. Dit betekent dat [gedaagde01] , zoals het CJIB heeft geëist, wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd (artikel 477a lid 1 Rv). Hoewel [gedaagde01] is toegelaten alsnog een verklaring te doen ten overstaan van de kantonrechter, is zij niet op de mondelinge behandeling verschenen en [gedaagde01] heeft ook op andere wijze niet van zich laten horen, dan wel alsnog een verklaring afgelegd. De vordering van het CJIB tot betaling van € 4.850,57 aan hoofdsom wordt dan ook toegewezen.
buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.2.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen.
4.3.
De rente over de hoofdsom wordt ook toegewezen, omdat uit de stellingen van het CJIB volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde01] deze stellingen niet heeft betwist. De rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat het CJIB deze kosten al aan haar gemachtigde heeft betaald.
proceskosten
4.4.
[gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van het CJIB tot vandaag vast op € 130,82 aan dagvaardingskosten, € 514,00 aan griffierecht en € 622,00 aan salaris voor de gemachtigde (twee punten x € 311,00 tarief). Dit is totaal € 1.266,82. Voor kosten die het CJIB maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] ook een bedrag betalen van € 124,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (zie Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).
uitvoerbaarheid bij voorraad
4.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan het CJIB te betalen € 5.588,74 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 4.850,57 vanaf 22 juli 2022 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de kant van het CJIB tot vandaag vastgesteld op € 1.266,82;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken.
38671