In deze arbeidsrechtelijke zaak vordert de werknemer diverse vergoedingen na het einde van zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Hij stelt dat de werkgever het einde van het contract niet tijdig heeft aangezegd en eist een aanzegvergoeding, vergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn, een billijke vergoeding, transitievergoeding en toeslag over Koningsdag en zaterdagtoeslag.
De werkgever erkent de verschuldigdheid van de aanzegvergoeding, vergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn, transitievergoeding en toeslag over Koningsdag, maar stelt dat deze reeds zijn betaald. De kantonrechter oordeelt dat dit niet voldoende is aangetoond en wijst deze vergoedingen toe. De wettelijke verhoging over de toeslag over Koningsdag wordt gematigd tot 10%.
De gevorderde zaterdagtoeslag wordt afgewezen omdat de CAO alleen toeslag toekent bij specifieke bakkerijtypen en ovenconfiguraties die hier niet van toepassing zijn. De billijke vergoeding wordt eveneens afgewezen omdat de werknemer niet heeft onderbouwd waarom de reeds toegekende vergoedingen onvoldoende compensatie bieden.
De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van het netto-equivalent van €5.594,22 bruto en de wettelijke verhoging van 10% over €55,70 bruto binnen veertien dagen. Proceskosten worden gecompenseerd en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.