Eiser huurde een woning van IHV die door een brand onbewoonbaar werd verklaard, waarna een renovatie volgde en eiser noodgedwongen moest verhuizen. Partijen kwamen overeen dat IHV een wettelijke verhuiskostenvergoeding zou betalen zodra eiser een nieuwe huurovereenkomst kon tonen. Eiser verhuisde en vroeg betaling van de vergoeding en terugbetaling van de borg.
IHV hield deze bedragen in vanwege vermeende mutatieschade aan het gehuurde, die zij stelde te mogen verrekenen. Eiser betwistte dat hij schade had veroorzaakt en dat IHV hem voldoende gelegenheid had gegeven de schade te herstellen, mede omdat er geen gezamenlijke eindinspectie had plaatsgevonden.
De kantonrechter oordeelde dat IHV onvoldoende bewijs had geleverd van de schade en dat de stelplicht en bewijslast daarvoor op IHV rusten. Ook was onvoldoende onderbouwd in hoeverre de schade door eiser was veroorzaakt of door de brand. De verplichting tot het afsluiten van een inboedelverzekering door eiser dekte geen brandschade aan het gehuurde.
Verder had IHV eiser niet in de gelegenheid gesteld de schade zelf te herstellen, wat volgens de algemene bepalingen en jurisprudentie wel had moeten gebeuren. Daarom werd de verrekening afgewezen en werd IHV veroordeeld tot betaling van de verhuiskostenvergoeding en terugbetaling van de borg, vermeerderd met wettelijke rente. De reconventionele vordering van IHV werd afgewezen en IHV werd veroordeeld in de proceskosten.