Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juni 2022 in de zaak tussen
[naam verzoeker], uit [woonplaats verzoeker], verzoeker
de burgemeester van Rotterdam, verweerder
[naam 1]uit [plaatsnaam],
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker huurt een woning waarin een grote hoeveelheid softdrugs en drugsgerelateerde attributen werd aangetroffen. De burgemeester besloot de woning voor drie maanden te sluiten op grond van de Opiumwet. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting te voorkomen totdat op bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de drugs bestemd waren voor een coffeeshop. Er is geen sprake van overlast of handel vanuit de woning en de woning ligt niet in een kwetsbare wijk. Daarnaast is er een tijdsverloop van 2,5 maand tussen de zienswijze en het besluit, zonder goede verklaring.
Gezien de omvang van de overtreding, de omstandigheden en de psychische problematiek van verzoeker, acht de voorzieningenrechter de noodzaak van sluiting twijfelachtig. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de woning voorlopig open blijft. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de woningsluiting wordt geschorst.