Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 14 april 2021 met producties 1 tot en met 15
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6
- het B8-formulier van Achmea met productie 16
- het B8-formulier van Achmea met productie 17
- de oproepingsbrief van 27 augustus 2021
- de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 januari 2022 door partijen overgelegde spreekaantekeningen
2..Waar gaat het om?
Er zijn in de klantinstallatie[de elektrische installatie na de elektriciteitsmeter, rb]
geen aanwijzingen gevonden die het ontstaan van brand verklaren.
en de aansluitkabel bemoeilijken het onderzoek naar de aanleiding van het incident. Er kan niet worden vastgesteld welke voedpunten[sporen van kortsluiting, rb.]
een begin of een gevolg zijn. Het staat wel vast dat de brand in de HAK moet zijn begonnen.”
4..Het geschil
5..De beoordeling
Aansprakelijkheid van Stedin
onderbreking van het transport van elektriciteit(lid 1) en schade ontstaan
door andere oorzaken(lid 2). De redactie van lid 4 is zo dat het beding ‘lijkt’ te zien op schade door zo’n onderbreking, aldus Achmea. Dat is volgens haar af te leiden uit de formulering en constructie van lid 4. Daarin wordt volgens haar de nadruk gelegd op een bedrag van ten hoogste € 2.500.000,--
per gebeurtenisvoor alle contractanten
tezamen, waarna de zin als één geheel doorloopt en eindigt met het maximale bedrag dat per contractant aan zaakschade wordt uitgekeerd (€ 3.500,--).
aantalcontractanten dat door de gebeurtenis schade lijdt de contractant in een gunstige of minder gunstige positie terechtkomt ongeacht de hoogte van de (totale) schade. Lijdt slechts één contractant zaakschade dan zou volgens de lezing van Achmea de aansprakelijkheid van Stedin onbeperkt zijn, maar zodra twee contractanten zaakschade zouden lijden zou het beding wél effect hebben. Een dergelijke uitleg ligt niet voor de hand.
geenregeling hebben getroffen. Aan de hand van een dergelijk vergelijkend onderzoek kan de nationale rechter bepalen of, en in voorkomend geval, in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan die welke uit het geldende nationale recht voortvloeit.