In deze civiele procedure vordert eiseres terugbetaling van door gedaagde opgenomen bedragen van een gezamenlijke kinderrekening en spaarrekening van minderjarige, na ontkenning van het vaderschap. Gedaagde stelde zich op het standpunt dat hij de opgenomen bedragen mocht verrekenen met kosten die hij voor de minderjarige had gemaakt, maar die volgens het echtscheidingsconvenant van de gezamenlijke rekening voldaan moesten worden.
De kantonrechter beoordeelde de bewijsstukken en getuigenverklaringen over de gemaakte kosten, waaronder kapperskosten en kosten voor kleding en schoeisel. Alleen kosten die expliciet in het echtscheidingsconvenant waren genoemd, konden worden verrekend. Voor de kapperskosten en kledingkosten werd een ex aequo et bono schatting gemaakt, waarbij onvoldoende bewijs voor de volledige opgevoerde bedragen ontbrak.
Daarnaast oordeelde de rechter dat het handelen van eiseres niet onrechtmatig was, omdat zij niet bewust had verzwegen dat gedaagde niet de biologische vader was. De onrechtmatige verrijking van gedaagde werd vastgesteld en hij werd veroordeeld tot terugbetaling van het meerdere boven de toegestane verrekening. De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.