Op 8 maart 2021 werd in Rotterdam op het slachtoffer geschoten vanuit een rijdende auto. De verdachte zat als bijrijder in de auto van waaruit werd geschoten. De officier van justitie stelde dat de verdachte medepleger was, omdat hij op de hoogte zou zijn geweest van het plan en mogelijk het vuurwapen bij zich had.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de verdachte als bijrijder aanwezig was, niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat hij de schutter was. De hulzen werden aan de bestuurderszijde gevonden, en getuigen verklaarden dat niemand uit de auto stapte om te schieten, wat het onwaarschijnlijk maakt dat de bijrijder het vuurwapen gebruikte.
Verder ontbrak elk bewijs voor een intellectuele of materiële bijdrage van de verdachte aan het misdrijf. Ook zijn zwijgen werd niet tegen hem gebruikt, omdat de omstandigheden niet van dien aard waren dat hij verplicht was te verklaren.
Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van medeplegen van poging tot doodslag. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd reeds opgeheven. De rechtbank concludeerde dat de verdachte slechts als bijrijder aanwezig was en dat dit onvoldoende is voor een veroordeling.