ECLI:NL:RBROT:2023:10619
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens verbeurde dwangsom en proceskostenvergoeding bij WOZ-waarde
Eiser stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar op €205.000 werd vastgesteld voor het belastingjaar 2020. Na eerdere procedures en een eerdere uitspraak waarbij de hoorplicht was geschonden, stelde eiser de heffingsambtenaar in gebreke wegens het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar een dwangsom van €1.442,- had verbeurd vanwege het niet tijdig nemen van een besluit na de eerdere uitspraak. Tevens werd geoordeeld dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding had toegekend, terwijl wel een immateriële schadevergoeding was toegekend.
De heffingsambtenaar had aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de woning kort voor de waardepeildatum voor een hoger bedrag was verkocht. De rechtbank kende geen aanvullende immateriële schadevergoeding toe, omdat reeds een vergoeding was toegekend. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd voor zover het de dwangsom en proceskostenvergoeding betreft, met in stand laten van de WOZ-waarde.
De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van de dwangsom, het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter Ferwerda op 10 november 2023.
Uitkomst: De heffingsambtenaar moet €1.442,- dwangsom, €2.266,- proceskosten en €50,- griffierecht aan eiser betalen; de WOZ-waarde blijft ongewijzigd.